“Schat, heb je dat gehoord?”
“Mmm…?”
“Er is iemand aan de voordeur!”
Ik schiet wakker. Toch weer fietsendieven! Ik loop naar het raam en schuif de gordijnen een beetje open. Niemand. Ook in de weerspiegeling van het bakkersraam tegenover ons zie ik niemand onder ons raam staan. De adrenaline ebt weg en ik strompel naar het bed.
“Er is niets te zien,” mompel ik.
Ik doe m’n ogen weer dicht.
Plots hoor ik het ook… geratel, alsof wieltjes over ribbels rollen en een metalen klem even tegen iets tikt. Ik spring uit bed en loop naar het raam. Met een ruk trek ik beide gordijnen open en kijk rond. Een ijskoude angst schiet door m’n hele lijf. Een in het zwart gehulde figuur staat op enkele meters van ons huis, in het midden van de straat. De lange man of vrouw draagt een capuchon, maar ik ben ervan overtuigd dat ik recht in de ogen word aangekeken. Ik slik en blijf als versteend staren.
“Wat is er, schat?”
Haar zachte stem haalt me uit de vreemde trance. Ik hoor de onzekerheid in haar vraag. Ik heb nu een rol te vervullen. Ik mag niet zwak overkomen. Zo normaal mogelijk zeg ik dat er niets aan de hand is.
“…gewoon een oude man die op stap is met z’n hond.”
Ik besluit m’n witte leugen met: “Ga maar weer slapen. Ik ga even plassen.”
Ze kijkt me even vragend aan, draait zich dan om en valt ogenblikkelijk terug in slaap.
Ik kijk opnieuw naar buiten. Niets. Terwijl ik het raam, dat op kiepstand stond, dichtduw, speur ik de straat zorgvuldig af. Nergens kan ik de verschijning vinden. Met een zucht sluit ik de gordijnen en wandel stil naar het toilet. In de gang hangt heel even de steriele geur van handgel en plastic. Ik heb geen tijd om erbij stil te staan, want de stem van de computergestuurde deurbel galmt plots door het huis: “Er staat iemand voor de deur!”
M’n vrouw schiet rechtop. “Herman?!”
Ik gebaar dat ze stil moet zijn. M’n hart gaat tekeer en ik probeer me te herinneren waar ik de oude, loodzware perforator in het bureau had gelegd.
“Opgelet: deur geopend. Beweging in de gang.” Weer de deurbel. Ik begin te hyperventileren. Nog steeds sta ik in de gang, met m’n hand op de klink van de deur van het bureau. M’n vrouw is muisstil naast me komen staan.
De trap kraakt.
M’n vrouw knijpt in m’n arm. “Doe iets, man!” sist ze. Ik doe niets.
Nog een kraak. Nog één. Sneller. De stappen razen omhoog.
“Doe iets!” krijst m’n vrouw.
Ik voel hoe m’n pyjamabroek tegelijkertijd warm en vochtig wordt.
Vijftien treden. Hij is boven. Ik begin zachtjes te huilen. Als een klein kind. M’n vrouw staat naast me. Haar handen knijpen m’n bovenarm fijn.
De figuur staat voor ons in de kamer. Hij zwijgt en kijkt ons aan. Het enige geluid is het tikken van het klokje op m’n nachtkastje en het gestage gedruppel van urine tussen m’n voeten. Aan z”n pols bungelen transparante ziekenhuisbandjes met codes. Alles lijkt helderder dan het hoort, alsof we onder de lamp van een operatiezaal staan. Op één bandje zie ik m’n naam staan.
Hij tilt z’n hand: geen wapen, alleen een klein scannertje dat zacht piept. “U hoeft niets te doen,” zegt hij. Niet dreigend, niet troostend, gewoon een mededeling.
We staan daar minutenlang. Het tikken van de klok wordt trager. De kou uit de gang trekt de kamer in. Hij scant twee keer: één keer bij mij, één keer bij haar.
“Herman…” fluistert m’n vrouw nog net wanneer de man, muisstil, een stap dichter zet. Het piepje zwelt aan en wordt een lange, vlakke toon. M’n borst zoekt nog één ademteug. Niets. Haar vingers glijden van m’n arm. Het klokje op het nachtkastje stopt.
“U hoeft niets te doen,” herhaalt hij. Hij klikt de bandjes rond onze polsen dicht en dooft de lamp. Het huis is stil. Wij hoeven niets meer te doen.
Responsible AI disclosure: de bannerafbeelding werd m.b.v. ChatGPT 5 gemaakt. Voorgaande tekst werd volledig zelf geschreven, maar de editering/verbetering werd in samenspraak met GPT-5 gemaakt.

Arme Herman…cool verhaal
LikeLike